Reactie Sonja van der Valk
Beste Kees
Op weg naar een vergadering bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – onderwerp is de implementering van de diversiteitgedachte in bedrijven en culturele instellingen, zo' beroemd/berucht ESF project - lees ik je artikel. Ik weet niet wanneer je het schreef, want ik kreeg het doorgestuurd (en stuurde het op mijn beurt ook weer door).
Zegt de diversiteitgedachte je iets? Het is het, utopische, streven organisaties af te stemmen op de huidige samenleving. Dus verschillen in sekse, leeftijd(sfase)en culturele achtergrond te honoreren en vruchtbaar te maken in alle dimensie van een bedrijf i.c een culturele instelling. Voor de podiumkunsten geldt dat ook voor het publiek.
Ik wil proberen iets bij te dragen aan je analyse en oproep. Ik denk daarbij vanuit 'diversiteit', al gebruikten we die term in de periode waarover ik je iets wil vertellen nog niet. Nieuwe tijden, nieuwe woorden, de intentie blijft gelijk.
Diversiteit betekent ook het naast elkaar laten kunnen bestaan van verschillende geschiedenissen. Tot halverwege de vorige eeuw was het zo dat voornamelijk witte mannen de geschiedenis schreven. Inmiddels is de diversiteit in perspectief sterk vergroot,met andere en nieuwe verhalen als gevolg, doch die zijn nog onvoldoende tot het openbare domein doorgedrongen. Dit zie je terug in wijze waarop de geschiedenis van het theater 'doorgegeven' wordt. Of te wel - dit doortrekkend naar jouw artikel - keer op keer wordt een beeld over de jaren tachtig en daarop aansluitend de jaren negentig gereproduceerd dat slechts één kant van het theater uit die jaren laat zien. Dit beeld doet het landschap in die tijd onrecht en daardoor - en dat is belangrijker - blijven kennis, inzichten en mogelijkheden voor nu onbenut.
Langs de randen van het speelterrein de grote gezelschappen, in de kleine zalen en tal van plekken (ook buiten de theatermuren) werd in de jaren tachtig theater gemaakt dat zich als hoofddoel de door jou bepleitte uitwisseling stelde. Ook door theatermakers wiens werk nu als experimenteel en naar binnen gekeerd wordt afgedaan. Zij gebruikten de zogenaamde post-moderne theatermiddelen wel degelijk om ‘hun verhaal ’te vertellen. Dat ging – teruggebracht tot de kern – over de moed om als individu een eigen verantwoordelijkheid te nemen in een maatschappij waarin de vertrouwde leef-en denkkaders aan gezag verloren hadden. De vanzelfsprekendheid van hun gezag ook wel moesten verliezen, omdat deze kaders voor een groot deel van de bevolking, meer dan de helft, en een groep nieuwe bewoners, niet klopten, een ‘gevangenis’ vormden. Ik heb het natuurlijk over vrouwen – de bedoelde helft – maar ook over de mannen die af wilden van die patriarchale wereld. En ik doel op de nieuwe groepen van mannen en vrouwen die als vluchteling of migrant Nederland als hun thuishaven kozen.
Met name bij de vrouwen onder de theatermakers van toen zie je hoe zij vormen uitvonden die ruimte boden om ‘de bodemvondsten van de ziel en de maatschappelijke context waarin dit wezenlijke gevonden wordt’ (jouw woorden) met hun publiek uit te wisselen. (Overigens krijgen zij nooit de eer van die ontdekkingen, maar vooruit, dat is dan maar zo…). Vrouwelijke theatermakers konden niet anders dan experimenteren met vormen en de verhalen die de klassieke en moderne toneelteksten vertelden ‘kapot maken’ en opnieuw opbouwen (deconstructie in een deftig woord), omdat deze verhalen hen niet meer pasten. De toen beschikbare (repertoire) stukken vertelden vooral het verhaal van de mannelijke held. De vrouwen in die teksten waren slechts blokkades dan wel hulpverleners op de weg die de mannelijke personages moesten gaan. Hadden de auteurs voor een vrouwelijke heldin gekozen, dan was dat op een enkele uitzondering na, eerder hun fantasie en projectie dan een figuur met wie het vrouwelijk deel van het publiek een verbinding kon voelen. Vrouwen moesten anders gaan theater maken omdat ze hun publiek wilden laten delen in hun zoektocht naar de vrouwelijke identiteit los van de oude beelden daarover. Ze gebruikten daarvoor bestaande technieken en vormen, ontwikkelden nieuwe of ‘leenden’ van collega theatermakers.
Veel van hen ontwikkelden voorstellingen die voorbij ‘het ver- halen’ gingen en zochten de uitwisseling in dans, muziek, beweging, film en video (interdisciplinair dus). Zij wilden het publiek op een ander dan cognitief niveau raken en letterlijk ’ervaringen’ delen. Ook dat waren experimenten, niet gedaan vanwege het experimenteren zelf, maar als levensnoodzaak voor betreffende kunstenaars. Immers pas zo waren zij in staat een verbinding te leggen tussen henzelf, de maatschappij en het publiek. Want - vanuit toeschouwers perspectief – leverden deze voorstellingen en performances een offensief tegen een maatschappij die op alle niveau’s ingekleurd was door de tegenstellingen mannelijk en vrouwelijk, rationeel en emotioneel, hard en zacht (en zo nog een hele reeks) Als je nieuwsgierig naar hun pogingen bent, lees dan het boek Wie zou ik zijn als ik zijn kon. Hoofdredactie Mieke Kolk, 1998.
Dit offensief ging toen toen mee in een breder gedragen wens te komen tot een loskomen van het oude. Die beweging lijkt gestopt en de situatie is eerder omgekeerd. Het oude, in de vorm van soms zelfs in puur rechtse ideeën, richt zich weer op als de oplossing voor de huidige maatschappelijke vraagstukken. Het is nu eerder de vraag hoe we met ons allen een koers kunnen vinden bij alle bewegingen die in de wereld gaande zijn en die nog weinig van doen hebben met een bewust en gericht zoeken naar een beter leefbare wereld. Revolutionair zijn enkel en alleen nog anti-rimpel crèmes of een nieuw type auto. Voor jouw generatie theatermakers een niet geringe vraag.
De geschiedenis van het door vrouwen gemaakte theater heeft een pendant in de voorstellingen van de hand van migranten en vluchtelingen, toen de eerste generatie. Ook zij streefden naar nieuwe beelden over henzelf en de gemeenschappen waaruit ze voorkwamen. Ook zij koesterden opvattingen over theater die afweken van wat de norm was. Uitwisseling – de juiste vibratie in de term van sommigen van hen- vond plaats op alle mogelijke plekken en plaatsen waar hun publiek te vinden was. Al te makkelijk werd en wordt ook nu nog veel van wat deze theatermakers lieten zien afgedaan als behorend tot het ‘welzijnswerk’. In feite waren ze de pioniers van een type kunst waaraan nu veel meer kunstenaars zich wagen. Sommigen noemen het community art, anderen interactieve kunst of sociale projecten. Kern: de voorstelling wordt dicht op en in nauwe samenwerking met het (potentiële) publiek gemaakt. Zie bijvoorbeeld het project in een Vlaamse gevangenis van Lotte van den Berg.
Jij en anderen met jou werken in een traditie die grote verwantschap vertoont met de geschiedenis die ik hier– in grove lijnen – schetste. Niet helemaal, jullie ontlenen veel aan de ‘mainstream traditie en geschiedenis. Maar wellicht zijn in die ‘onbekende’ artistieke geschiedenis aanknopingspunten te vinden voor jou (en jullie) zoektocht.
En o ja, de vrouwen en migranten kwamen met regelmaat bij elkaar om hun individuele streven zinvol en bij de tijd passend theater te maken, te positioneren als een gemeenschappelijk streven. Zij maakten – jawel - een vuist, niet met de hand maar, naast hun voorstellingen, met publicaties, artikelen, zelfs soms manifesten. Jouw artikel past in die mooie traditie.
En tenslotte: vergeet niet jullie werk en zoeken te verwoorden, zodat het in de theatergeschiedenis opgenomen kan worden en de generaties na jullie daarop weer verder kunnen bouwen. In de jaren zestig noemden we dat het ontwikkelen van een ‘tegencultuur’.
Met hartelijke groet,
Sonja
Vrijdag 24 maart 2006
Op weg naar een vergadering bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – onderwerp is de implementering van de diversiteitgedachte in bedrijven en culturele instellingen, zo' beroemd/berucht ESF project - lees ik je artikel. Ik weet niet wanneer je het schreef, want ik kreeg het doorgestuurd (en stuurde het op mijn beurt ook weer door).
Zegt de diversiteitgedachte je iets? Het is het, utopische, streven organisaties af te stemmen op de huidige samenleving. Dus verschillen in sekse, leeftijd(sfase)en culturele achtergrond te honoreren en vruchtbaar te maken in alle dimensie van een bedrijf i.c een culturele instelling. Voor de podiumkunsten geldt dat ook voor het publiek.
Ik wil proberen iets bij te dragen aan je analyse en oproep. Ik denk daarbij vanuit 'diversiteit', al gebruikten we die term in de periode waarover ik je iets wil vertellen nog niet. Nieuwe tijden, nieuwe woorden, de intentie blijft gelijk.
Diversiteit betekent ook het naast elkaar laten kunnen bestaan van verschillende geschiedenissen. Tot halverwege de vorige eeuw was het zo dat voornamelijk witte mannen de geschiedenis schreven. Inmiddels is de diversiteit in perspectief sterk vergroot,met andere en nieuwe verhalen als gevolg, doch die zijn nog onvoldoende tot het openbare domein doorgedrongen. Dit zie je terug in wijze waarop de geschiedenis van het theater 'doorgegeven' wordt. Of te wel - dit doortrekkend naar jouw artikel - keer op keer wordt een beeld over de jaren tachtig en daarop aansluitend de jaren negentig gereproduceerd dat slechts één kant van het theater uit die jaren laat zien. Dit beeld doet het landschap in die tijd onrecht en daardoor - en dat is belangrijker - blijven kennis, inzichten en mogelijkheden voor nu onbenut.
Langs de randen van het speelterrein de grote gezelschappen, in de kleine zalen en tal van plekken (ook buiten de theatermuren) werd in de jaren tachtig theater gemaakt dat zich als hoofddoel de door jou bepleitte uitwisseling stelde. Ook door theatermakers wiens werk nu als experimenteel en naar binnen gekeerd wordt afgedaan. Zij gebruikten de zogenaamde post-moderne theatermiddelen wel degelijk om ‘hun verhaal ’te vertellen. Dat ging – teruggebracht tot de kern – over de moed om als individu een eigen verantwoordelijkheid te nemen in een maatschappij waarin de vertrouwde leef-en denkkaders aan gezag verloren hadden. De vanzelfsprekendheid van hun gezag ook wel moesten verliezen, omdat deze kaders voor een groot deel van de bevolking, meer dan de helft, en een groep nieuwe bewoners, niet klopten, een ‘gevangenis’ vormden. Ik heb het natuurlijk over vrouwen – de bedoelde helft – maar ook over de mannen die af wilden van die patriarchale wereld. En ik doel op de nieuwe groepen van mannen en vrouwen die als vluchteling of migrant Nederland als hun thuishaven kozen.
Met name bij de vrouwen onder de theatermakers van toen zie je hoe zij vormen uitvonden die ruimte boden om ‘de bodemvondsten van de ziel en de maatschappelijke context waarin dit wezenlijke gevonden wordt’ (jouw woorden) met hun publiek uit te wisselen. (Overigens krijgen zij nooit de eer van die ontdekkingen, maar vooruit, dat is dan maar zo…). Vrouwelijke theatermakers konden niet anders dan experimenteren met vormen en de verhalen die de klassieke en moderne toneelteksten vertelden ‘kapot maken’ en opnieuw opbouwen (deconstructie in een deftig woord), omdat deze verhalen hen niet meer pasten. De toen beschikbare (repertoire) stukken vertelden vooral het verhaal van de mannelijke held. De vrouwen in die teksten waren slechts blokkades dan wel hulpverleners op de weg die de mannelijke personages moesten gaan. Hadden de auteurs voor een vrouwelijke heldin gekozen, dan was dat op een enkele uitzondering na, eerder hun fantasie en projectie dan een figuur met wie het vrouwelijk deel van het publiek een verbinding kon voelen. Vrouwen moesten anders gaan theater maken omdat ze hun publiek wilden laten delen in hun zoektocht naar de vrouwelijke identiteit los van de oude beelden daarover. Ze gebruikten daarvoor bestaande technieken en vormen, ontwikkelden nieuwe of ‘leenden’ van collega theatermakers.
Veel van hen ontwikkelden voorstellingen die voorbij ‘het ver- halen’ gingen en zochten de uitwisseling in dans, muziek, beweging, film en video (interdisciplinair dus). Zij wilden het publiek op een ander dan cognitief niveau raken en letterlijk ’ervaringen’ delen. Ook dat waren experimenten, niet gedaan vanwege het experimenteren zelf, maar als levensnoodzaak voor betreffende kunstenaars. Immers pas zo waren zij in staat een verbinding te leggen tussen henzelf, de maatschappij en het publiek. Want - vanuit toeschouwers perspectief – leverden deze voorstellingen en performances een offensief tegen een maatschappij die op alle niveau’s ingekleurd was door de tegenstellingen mannelijk en vrouwelijk, rationeel en emotioneel, hard en zacht (en zo nog een hele reeks) Als je nieuwsgierig naar hun pogingen bent, lees dan het boek Wie zou ik zijn als ik zijn kon. Hoofdredactie Mieke Kolk, 1998.
Dit offensief ging toen toen mee in een breder gedragen wens te komen tot een loskomen van het oude. Die beweging lijkt gestopt en de situatie is eerder omgekeerd. Het oude, in de vorm van soms zelfs in puur rechtse ideeën, richt zich weer op als de oplossing voor de huidige maatschappelijke vraagstukken. Het is nu eerder de vraag hoe we met ons allen een koers kunnen vinden bij alle bewegingen die in de wereld gaande zijn en die nog weinig van doen hebben met een bewust en gericht zoeken naar een beter leefbare wereld. Revolutionair zijn enkel en alleen nog anti-rimpel crèmes of een nieuw type auto. Voor jouw generatie theatermakers een niet geringe vraag.
De geschiedenis van het door vrouwen gemaakte theater heeft een pendant in de voorstellingen van de hand van migranten en vluchtelingen, toen de eerste generatie. Ook zij streefden naar nieuwe beelden over henzelf en de gemeenschappen waaruit ze voorkwamen. Ook zij koesterden opvattingen over theater die afweken van wat de norm was. Uitwisseling – de juiste vibratie in de term van sommigen van hen- vond plaats op alle mogelijke plekken en plaatsen waar hun publiek te vinden was. Al te makkelijk werd en wordt ook nu nog veel van wat deze theatermakers lieten zien afgedaan als behorend tot het ‘welzijnswerk’. In feite waren ze de pioniers van een type kunst waaraan nu veel meer kunstenaars zich wagen. Sommigen noemen het community art, anderen interactieve kunst of sociale projecten. Kern: de voorstelling wordt dicht op en in nauwe samenwerking met het (potentiële) publiek gemaakt. Zie bijvoorbeeld het project in een Vlaamse gevangenis van Lotte van den Berg.
Jij en anderen met jou werken in een traditie die grote verwantschap vertoont met de geschiedenis die ik hier– in grove lijnen – schetste. Niet helemaal, jullie ontlenen veel aan de ‘mainstream traditie en geschiedenis. Maar wellicht zijn in die ‘onbekende’ artistieke geschiedenis aanknopingspunten te vinden voor jou (en jullie) zoektocht.
En o ja, de vrouwen en migranten kwamen met regelmaat bij elkaar om hun individuele streven zinvol en bij de tijd passend theater te maken, te positioneren als een gemeenschappelijk streven. Zij maakten – jawel - een vuist, niet met de hand maar, naast hun voorstellingen, met publicaties, artikelen, zelfs soms manifesten. Jouw artikel past in die mooie traditie.
En tenslotte: vergeet niet jullie werk en zoeken te verwoorden, zodat het in de theatergeschiedenis opgenomen kan worden en de generaties na jullie daarop weer verder kunnen bouwen. In de jaren zestig noemden we dat het ontwikkelen van een ‘tegencultuur’.
Met hartelijke groet,
Sonja
Vrijdag 24 maart 2006


0 Comments:
Post a Comment
Links to this post:
Create a Link
<< Home