Saturday, March 21, 2009

Crisis tekst voor theater Frascati

We breken uit en slepen de wereld ons theater binnen. En wat zien wij in die wereld?.........De kredietcrisis.

Zo luidde de openingszin van de aan mij gerichte uitnodiging van theater Frascati om deel te nemen aan deze theatrale party over de crisis. Ze wilden dit alles doen onder het motto: Wie neemt verantwoordelijkheid voor onze toekomst als wij het zelf niet doen?

Ik las de openingszin een aantal keer achterelkaar. We breken uit...En slepen de wereld ons theater binnen… En wat zien wij in die wereld?…De kredietcrisis…. En dit alles onder het motto: Wie neemt verantwoordelijkheid voor onze toekomst als wij het zelf niet doen?

Ja wie neemt die verantwoordelijkheid? Ik keek door het studeerkamerraam naar buiten en probeerde krampachtig de wereld op het podium van mijn gedachten te slepen…. Talloze crises stroomden naar binnen maar de kredietcrisis niet. Lag dat aan mij? Nam ik wel genoeg verantwoordelijkheid voor onze toekomst? Of ben ik de grip op de wereld kwijt?

Ik schreef een kort briefje terug.

Ik realiseer me dat de crisis natuurlijk een groep mensen treft, maar een veel grotere humanitaire crisis heerst in de rest van de wereld permanent. Ik vind het decadent om daar nu zo ineens van overstuur te raken. Dus geef me een week om op de uitnodiging terug te komen.

Dezelfde dag nog kreeg ik het antwoord dat dit toch een prachtig statement zou zijn om naar voren te brengen. Een deskundige had geopperd dat een festival niet een festival was zonder een tegengeluid… Ik kon niet meer weigeren.

Men verwacht dus nu waarschijnlijk dat ik het ga hebben over de permanente humanitaire crises in de rest van de wereld. Dat doe ik dus niet. Niet dat ik niet bij de wereld betrokken ben. Laatst heb ik in een opwelling van medemenselijkheid voor heel weinig geld een Palestijnse vlag op het internet aangeschaft. Hij was van een goede Taiwanese kwaliteit. Doelloos heb ik er een week mee door het huis gelopen op zoek naar het juiste raam. Tot mijn geliefde me verbood door te gaan met dit bespottelijk morele handenwassen. Nu ligt ie zielloos bestoft onder het bed.

Wanneer ik een krant opensla, het journaal bekijk, het internet afgraas kom ik een wereld tegen waarin we ons slepen van crises naar crises. Een weerbericht heet steeds vaker een weeralarm, een economische recessie een historische depressie, een flauw telefoontje van pubers alvast een bloedbad. Ja, het had zelfs maar weinig gescheeld of ik had hier niet gestaan. Vorige week dinsdag stond ik bij de Arena in de Mediamarkt.

Vreemd genoeg ervaar ik al deze berichtgevingen vaak als bijzonder geruststellend. Kennelijk ontsnappen we vaker aan een ramp dan dat deze plaats heeft. Maar waarom berichten we er dan zo vaak over? En waarom winden we er ons dan zo vreselijk over op?

Mijn collega Catherine Henegan komt uit Zuid Afrika. Ze schreef me over de psychotische toestand waarin de blanke middenklasse momenteel verkeert. Huizen worden omgebouwd tot forten, winkelcentra ontmanteld en verplaatst naar veilige gebieden waarin blanken in de meerderheid zijn. Safety by number. Zwarten zijn uiteraard welkom, mits ze maar genoeg geld hebben. Is dat waar wij ook op zoek naar zijn? Een mooie blanke enclave immuun voor tegenslagen waarin we een kalme dood kunnen sterven aan een plastic tube, en we die boze wereld kunnen betreden wanneer ons dat past.

Is de gulzigheid waarmee we crises consumeren, ja verslinden in feite niet een poging onze angsten te bezweren? Het huilen om datgene wat ons waarschijnlijk nooit echt zal overkomen? –althans nooit totdat de dood erop volgt. Kortom een welkome afleidingsmanoeuvre van datgene waarvoor we werkelijk angst zouden moeten hebben: Het menselijk onvermogen om om te kunnen gaan met tegenslagen, en de spagaat die we ervaren tussen datgene wat er in de wereld zich afspeelt en in onszelf.

Maken theatermakers zich werkelijk bezorgd over die onmogelijk spagaat? Of is de tendens de actualiteit op het podium te brengen een verkrampte poging om weer deel uit te maken van de maatschappelijke discussie? Een poging om onze concurrentiepositie op de andere media te heroveren? En is het theatrale motto vrijblijvend, om het even wat.

Ik verzet me tegen de gulzige zucht naar deze theatrale actualisering, die kopieerdrift van de werkelijkheid, de kortademigheid van dit soort De Wereld Draait Door toneel. Ik weet wel, het is een gemakkelijke voorraad voor wie om authentieke verhalen verlegen zit, er zijn immers voldoende motto’s voorhanden. Maar de vormen zijn eenduidig, vlak en inwisselbaar. Het theater net zo vrijblijvend als ramptoerisme. Liever heb ik dan het echte ramptoerisme; omdat dit recht uit het hart komt, porno zonder artistieke omhaal, zonder de voorwendselen van een pseudo poëzie. Geef mij dan maar de vertwijfeling van de verslaggever die bij het wrak van het gecrashte vliegtuig staat. Verlegen om woorden, nadat het televisiestation hem in paniek, bij gebrek aan nieuwsfeiten, vraagt dat weiland waarin dat wrak ligt, live voor ons te beschrijven. Die stilte, dat natte modderveldje; dat is pas drama, dat is pas echte crisis.

De theatermaker is geen journalist maar een boodschapper van zijn tijd. Hij bevraagt zichzelf en zijn positie in de wereld. Deze vragen werpt hij ons voor de voeten. Er zijn twee voorstellingen waarin naar mijn mening dit het geval is. In Orgy of Tolerance van Jan Fabre sleept hij op een volstrekt authentiek wijze de actualiteit het podium op. De voorstelling is een woedend pandemonium van onze tijd. Er wordt gemasturbeerd tot er tranen vloeien, levensmiddelen worden gebaard, Jezus draaft op als een model op een catwalk, en zo gaat het maar door. Het is een felle aanklacht tegen onze consumptie maatschappij. Je voelt de diep gewortelde woede die hier aan ten grondslag ligt. Een heel andere voorstelling is Point black van Edith Kaldor. In de voorstelling staat een jonge vrouw voor een verzameling foto’s. Ze probeerde samen met ons een antwoord te formuleren op de vraag hoe ze moet leven. Elke keuze die wij met haar maakten leidde ongewilde consequenties. Er komt een moment voor waarin ze een aantal foto’s laat zien van mensen en aan ons de vraag stelt aan wie wij een lift zouden geven. Ik koos voor een vriendelijk uitziende man; het bleek Jeffrey Dahmer, een seriemoordenaar. Het was een duizelingwekkend verhaal over de grootsheid van het leven, zoals de Volkskrant terecht schreef.

Goed, ik ben bijna aan het eind. Maar een voorval met betrekking tot de kredietcrisis wil ik u niet onthouden. Ik zat in een Indonesisch restaurant met een groepje vrienden te eten. Het was mijn verjaardag en een vriend van me was te laat. Ik liep naar buiten om hem te bellen. Terwijl ik het nummer draaide hoorde ik een stem roepen: ”Je hoeft me niet te bellen, ik ben toch niet thuis.” Ik keek op. Het was niet de vriend, het was een zwerver die in de tramhalte zat te schaterlachen. Ik wist niet goed wat ik terug moest zeggen en stak mijn duim omhoog. Even later liep de restauranthouder naar buiten en bracht de zwerver een bordje eten. “Dat is Theo, die komt hier elke dag rond deze tijd, voegde hij me toe. “Arme stakker”, zei ik en knikte deemoedig naar de zwerver. De restauranthouder ging weer naar binnen. Theo grijnsde triomfantelijk terug en boog zich over zijn bordje Bami. Ik wilde net weer naar binnen gaan toen hij me toeriep: “Ik ben tramspotter”. “Een wat?”, riep ik terug? “ Ik ken alle trams hier uit m’n hoofd. “Zo zo”, probeerde ik kinderlijk en geëngageerd. “Ja en ook alle trambestuurders. Ik zit hier om ze te laten weten dat ze op het goede spoor zitten.” Ik lachte om zijn grap. “Je gelooft me niet hè, maar zonder mij weten ze dat niet.” Op dat moment kwam lijn 13 aangereden. Bij de tramhalte stak de bestuurder zijn hand naar Theo omhoog en liet de tram enkele keren rinkelen. “Zie je nou wel”, zei Theo toen de tram om de bocht verdween.


Kees Roorda maart 09

2 Comments:

Anonymous Anonymous said...

uh... amazing

3:36 AM  
Blogger sjoerd said...

Ik ben verliefd op je schrijven!

Finest!

Sjoerd Vreugdenhil

5:52 AM  

Post a Comment

Links to this post:

Create a Link

<< Home